Gerardus Jacobzoon van der Weijden vijfde generatie

Gerardus, Gerrit genaamd, werd op 26 augustus 1767 in Aarlanderveen Rooms Katholiek gedoopt. Hij was het zesde kind van Jacobus Corneliszoon van der Weijden en Johanna Kleuters of Cluters. Gerrit was op 4 jarige leeftijd bijna verdronken. In het boek Historie en Gedenkschriften van de Maatschappy tot Redding van Drenkelingen staat het volgende verslag. Te Aarlanderveen , den 8 sten Augustus 1771, des middags ten twee uuren , was het zoontje yan Jacob Cornelisz. van der Weyden, (betreft zijn zoon Gerrit) oud ruim vier jaaren, in het water gevallen, daar het omtrent een halfuur in gelegen had, toen men het ‘er uithaalde, liggende met het hoofd omlaag en de beenen omhoog. Niemand kon ‘er eenig teken van leven in ontdekken. De Chirurgyn Arnoldus Coomans, dit by gerucht verneemende, ging naar het huis van den gemelden van der Weyden; daarmede ook nog wel een groot kwartier uurs verliep, dewyl dit huis wel tien minuuten gaans van het zyne is afgelegen. Hier gekomen zynde, vond hy den vader voor het vuur zitten met eenige buuren, hebbende den Drenkeling op hunne knieën, waaraan zy alles beproefden, om te zien of zy ‘er ook nog eenige blyk van leven in konden ontdekken; doch bespeurden niets, dan alleen lyk dat de vader, die zynen vinger in den mond van het kind had gestoken, meende dat het de tanden eenigzins scheen toe te knypen, Da Chirurgyn Coomans vond den Drenkeling over het geheele ligchaam koud, zonder eenige beweeging van het hart of den pols te konnen gewaar worden: het aangezicht was paars en gezwollen, de oogen uitwaards puilende, en de leden slap. Hy bezorgde ten eerste dat het natte hemd, welk nog aan het kinds ]yf was, wierd afgesneden, waarop hy het op kussens, in een deken, voor het vuur nederlag, en terstond het blaazen met de tabaksklisteerpyp in het werk slelde; tefwyl hy hem de Spir. Sal. Armon. liet onder den neus houden, de borst, buik en lendenen gestadig met warme doeken wryven, en armen en beenen beweegen, da borst en buik zachtelyk en beurtelings drukkende. Ook had hy hem een schede van een mes tusschen de tanden doen houden, en met eenig geestryk vocht, als brandewyn met wat Spir. Carm. Sylv. den mond doen bevochtigen. Inmiddels liet hy bestendig met de tabaksklisteer voortvaaren; waarop het kind, na dat hy omtrent een klein half uur dus bezig was geweest, eenige snikken begon te geeven, en eenig water met voedsel, dien middag genuttigd’, kwyt te raaken, en ook wat afgang loosde. Ondertusschen liet de moeder een bed warm maaken, en de Chirurgyn, die met het gebruiken der voorgemelde middelen aanhield, had het genoegen van eenige beweeging in het hart en den pols te bespeuren; waarop ook vervolgens het kind begon te schreijen. Toen belastte hy hetzelve wat brandewyn in den mond te gieten, en de Spir. Sal. Armon. te laaten ruiken; waarop het nog heviger begon te schreijen, en welhaast eenige gebroken woorden te spreeken. Nu liet hy het te bedde brengen, en met de tabaksklifteer ophouden; doch met het wryven, zo veel mogelyk, voortvaaren, tot dat hy door de natuurlyke warmte, spraak, beweeging van den pols’, enz. van het leven was verzekerd; niettegenstaande het kind over pyn in den buik, borst en leden klaagde, waarschynelyk veroorzaakt door het gestadig wryven, of mogelyk,. gelyk ‘er de Chirurgyn Coomans, door het schadelyk en voor den Drenkeling zo nadeelig hangen aan den beenen en rollen op een’ emmer, dat men hem, in den beginne, voor zyn aankomst had gedaan. Hy liet vevolgens het kind om het uur een vol van een voorgeschreven mixtuurtje gebruiken, en vond hetzelfde, tot zyn uiterste genoegen, den volgende morgen byna volledig hersteld, en met zyn broertje speelende. Hy heeft den gouden Medaille gevraagd.

Gerrit woonde in Noorden in een huis dat hij in 1802 op een publieke veiling had gekocht van Jan de Bruinen. Van beroep was hij veenman (producent van veen). In 1806 produceerde hij in totaal 28.567 ton turf; bij Nieuwkoop 2654 ton, in de Noordsche Buurt 21703 ton en 4210 ton bij Achtienhoven. De door vervening ontstane plassen verhuurde hij aan beroepsvissers als viswater. In de loop van zijn leven kocht Gerrit veel stukken veenland, weiland,  rietland en water in de plaatsen Nieuwkoop, Noorden, Zevenhoven, Wilnis, Ter Aar en Achtienhoven. Ook handelde hij in huizen, boerderijen en turfschuren. Gerrit trouwde drie maal. Op 30 april 1792 trouwde hij in Nieuwkoop voor het gerecht met Engelbertha Hasersloot, Engeltje of Ingetje genaamd. Zij kregen samen 4 kinderen namelijk: Geertrui, Pleuntje, Neeltje en Jannetje. Zijn vrouw Engelbertha is de zus Johanna Hazersloot, de vrouw van Cornelis Maartenzoon van der Weijden. Een jaar na de dood van Engetje trouwde Gerrit op 26 april 1802 met Maria Couwenberg. Maria werd geboren in 1772 in Harmelen en overleed in 1808 in Nieuwkoop. Zij is de dochter van Hendrik Couwenberg en Johanna de Wildt. Het echtpaar kreeg samen drie kinderen namelijk: Johanna Gerritse        (1803-1850)    Huwde met Pieter van der Weijden Jacob Gerritzoon        (1805-1874)    Huwde met Anna Nieuwendijk Ingnata Gerritse         (1807-1841)    Huwde met Petrus van Os. De kinderen van Gerrit zijn naar school geweest. In diverse akten ondertekenden de kinderen met hun eigen naam en niet met een kruisje. Veel kinderen genoten in het begin van de 19de eeuw nog nauwelijks onderwijs. Ze gingen niet naar school door ziekten of omdat de ouders hun lieten werken op de boerderij of als hulpje ergens op een bedrijf. De meeste lagere scholen waren openbare scholen, want alleen openbare scholen werden door de overheid betaald. Vanuit christelijke kringen bestond  weerstand tegen het karakter van de openbare scholen. Pas in de grondwet van 1848 werd de vrijheid van onderwijs opgenomen. In 1873 werd in Nieuwkoop de eerste RK jongensschool geopend. Pas 17 jaar later werd een RK meisjesschool door de zusters van de Congregatie van Jezus Maria en Joseph geopend. Onderwijzers verdienden in die tijd niet veel en hadden vaak nevenfuncties zoals koster, voorzanger, dodengraver enz.  Maria Couwenberg overleed op 36 jarige leeftijd, op 15 september 1808 in Nieuwkoop. De naam Couwenberg komt vooral veel in zuid Nederland voor. Onderzoek naar de familie Couwenberg is niet eenvoudig omdat deze naam op veel verschillende manieren werd geschreven zoals Koudenberg, Kouwenberg, Couwenbergh, Couwenberch, Cauwenberg, Couenberg. Dit komt omdat voor de invoering van de burgerlijke stand in de eerste helft van de 19de eeuw registratie van een naam vaak op het gehoor plaats vond. Een klerk of kerkelijke dienaar noteerde een naam in een akte of schrift zoals hij de naam verstond. Pas door de invoering van de burgerlijke stand in 1811, kregen familienamen hun vaste schrijfwijze. Een naam werd voortaan van generatie op generatie overgedragen in de spellingsvorm waarin de naam was geregistreerd. Na de dood van Maria Couwenberg werden Gerrit Niekerk en Cors Kroft als voogden over de kinderen benoemd. Voor de drie kinderen werd een bedrag van 500 gulden per kind gereserveerd. Op 5 februari 1810 trouwde Gerrit voor de derde maal en wel met Rembertha (Raampje) van Zijl. Uit deze verbintenis werden geen kinderen geboren