Martinus van der Weijden zesde generatie

Martinus van der Weijden, een Nieuwkoopse priesterzoon

Martinus werd geboren en gedoopt op 30 mei 1800 te Aarlanderveen als oudste zoon van Corneliszoon Maartenzoon van der Weijden (zie 3.4.1) en Johanna of Anna Hazersloot. Martinus werd vernoemd naar zijn opa Maarten Corneliszoon van der Weijden. Deze Maarten is weer het kleinkind van Pons Pieterzoon van der Weijden, samen met zijn twee broers, de oudst bekende Van der Weijden uit Nieuwkoop en omgeving. Martinus was het lievelingentje van zijn moeder, een intelligente vrome vrouw. Zijn vader kwam uit Nieuwkoop en zijn moeder uit Den Haag. Na Martinus werden er nog vier kinderen geboren namelijk twee jongens en twee meisjes. Drie van deze vier kinderen zijn op jonge leeftijd overleden. Allen broer Pieter overleefde zijn kinderjaren en trouwde met zijn achternicht Johanna van der Weijden. Hun nakomelingen kregen later belangrijke functies in het openbaar bestuur zoals o.a.burgemeester, lid van provinciaal bestuur, van de tweede kamer, en waterschap.

Kort na geboorte van Martinus verhuisde de familie van der Weijden van Aarlanderveen naar Nieuwkoop en ging zij aan het Zuideinde wonen. Zij vielen toen onder de parochie Nieuwkoop waarvan de kerk stond aan het Meijepad, ook wel Kerkstraat of Oortjespad. De naam Oortjespad komt van oortje (is munt), die niet parochianen voor het gebruik ervan moesten betalen. In deze kerk deed Martinus zijn eerste Heilige Communie. Van pastoor Winkelaar heeft Martinus zijn eerste Latijnse lessen gehad. Ook hielp hij de pastoor met zijn botanische werkzaamheden.

Later verhuisde de familie naar een woning vlak naast het raadhuis. Ze vielen toen onder de parochie Noorden. De parochiegrens in Nieuwkoop lag bij de voormalige Kerkstraat. De oostelijk daarvan wonende katholieken behoorden bij de Noordense kerk. Na een herindeling van de parochies, kwamen ze in 1852 weer onder de parochie Nieuwkoop.

De familie Van der Weijden was welgesteld. De voorouders van Pieter hadden behoorlijk geld verdiend aan de veenderij en het verhandelen van turf.

Ook Pieter had een turfhandel. Hiervoor ging hij regelmatig naar klanten in grote steden. Martinus ging af en toe mee en was toen al vaak in boekwinkels te vinden. Volgens zijn vader was hij niet van boekwinkels af te houden. Zijn honger naar kennis zat er al vroeg in.

De priesteropleiding

Martinus begon zijn priesteropleiding op het klein seminarie Hageveld te Driehuizen bij Velsen, dat onder leiding stond van preses van Bommel.

Toen Martinus aan zijn studie begon had hij een behoorlijke achterstand op zijn medestudenten. Maar Martinus was intelligent en ook ambitieus. In een brief aan zijn ouders schrijft hij het volgende:

Ik heb u beloofd u iets wegens mijne studie mede te deelen; ik wil dan thans deze belofte volbrengen en, schoon wij op de filosofie niet weten, of wij de eerste, tweede of de laatste zijn,

zoo kunnen wij dit toch wel eenigszins van verre raden. Gij weet dan, zooals ik u reeds gezegd had, dat hier eenige bijzondere knappe filozofen waren, en dat deze reeds een groot deel der filozofie gehad hadden; ik kan u echter de tijding mededeelen, dat ik geloof niet ver van den primus af te zijn; misschien heb ik, wel kans om het te worden, en dan, mijne geliefden, wanneer dit eens gebeurde, dan had ik, behalve de eer van uit 10 filozofen, waaronder twee voormalige Amsterdamsche primussen, de eerste te zijn, nog eene prijs van 85 gld., namenlijk een vierendeel jaars kostgeld te Warmond vrij, hetwelk de gestelde prijs der filozofie is.

Op 2 oktober 1820 werd hij ingeschreven op het groot seminarie te Warmond. Hier heeft hij niet gestudeerd want Martinus bleef op het Hageveld. Hier waren te weinig leerkrachten en de zeer intelligente Martinus moest naast zijn priesterstudie ook les geven. Zijn leerlingen waren vaak jonger dan hij zelf. Bij zijn priesterstudie kreeg Martinus veel hulp van preses Van Bommel, die later de eerste bisschop van Luik werd.

Als sub-diaken heeft Martinus één keer in Noorden gepreekt. De titel van zijn preek was “Wij hebben hier geen blijvende woonstede”. Deze preek moet ook door protestanten zijn bijgewoond want Martinus vraagt in een brief aan zijn ouders “Schrijf mij, wat de Protestanten toch wel van mijne preek hebben gezegd”. Martinus werd op 4 augustus 1824 tot priester gewijd.

Martinus was van 1820 tot het najaar van 1825 leraar aan het klein seminarie Hageveld. Hij werd hier aangesteld als professor en onderwees in de retorica, Grieks, wiskunde en geschiedenis. In 1825 werd door Koning Willem 1, die een antiklerikale politiek voerde, alle seminaries opgeheven. In de plaats daarvan werd in Leuven een staatschool, het Collegium Philosophicum, ingesteld. Alleen studenten van dit college hadden toegang tot een groot seminarie. Het sluiten van het klein seminarie Hageveld heeft Martinus en zijn mede studenten diep geraakt. Het volgende schrijft hij aan zijn ouders:

Gisteren hebben wij bepaaldelijk de aankondiging ontvangen,.dat Hageveld voor 1 ste Oct. aanstaande zal moeten gesloten zijn; de gouverneur van Noord-Holland is in persoon hier geweest en er schijnt nu geen hoop meer te wezen. Gij kunt begrijpen, dat hier algemeene droefenis is: de jonge heeren snikten allen, toen het hun werd aangezegd.

Na het sluiten van het klein seminarie werd Martinus in 1825 door de paus benoemd tot  apostolisch prefect van de Nederlandse kolonie Suriname. Een apostolisch prefect is het hoofd van een missiegebied. Martinus was de eerste die door de Heilige Stoel aan de hoofd van de Surinaamse missie werd geplaatst. Voor zijn vertrek naar Suriname heeft Martinus zijn uiterste best gedaan om geld in te zamelen voor de missie in Suriname. Martinus schreef zelf hiervoor een brochure en twee “damescomités” in Amsterdam en Den Haag zamelden geld voor hem in.

Rond 10 december vertrok Martinus samen met Johannes Grooff met het schip “Maria” naar Suriname. Het was echter maar een kort reisje want na enkele dagen moest het schip i.v.m. veel tegenwind terug keren naar Den Helder. Zijn metgezel de heer Grooff wilde de reis uitstellen tot de zomer omdat de weersomstandigheden dan veel beter zouden zijn. Martinus wilde echter zo snel mogelijk naar Suriname. Op 31 december 1825 vertrokken ze voor de tweede keer uit Den Helder. Het was geen gemakkelijke reis. Ze hadden veel tegenwind en dagen met zware storm wisselende zich af met windstille perioden. Het eten bestond voor een belangrijk deel uit gort, scheepsbeschuit, spek en vis. Onderweg zagen ze walvissen en ook vliegende vissen.

Na een reis van zes weken, kwamen ze op 8 februari 1826 aan in Paramaribo. Op Martinus moet de kennismaking met Suriname grote indruk gemaakt hebben wat uit de volgende letterlijke citaten uit één van zijn brieven wel blijkt.

“Wij ankerden dien nacht in de mond der rivier en zeilden daags daaraan op den middag verder; wij waren even onder zeil, toen wij een boeijer zagen aankomen, geroeid door een stuk of twaalf zwarten; daarin waren enige heeren, blanken, bruinen, geelen en dit was, om ons, hunne geestelijken, naar wie zij zoo verlangd hadden, af te halen; gij kunt begrijpen, of dit eene treffende ontmoeting was! Eindelijk kwamen wij voor de stad en gingen met de boeijer aan wal. Het was opgepropt met menschen; allerhande soort en kleur; gekleedden, half gekleedden, naakten enz.; men sprong, dansde, huppelde over het hoofd, het was voor hen zoo goed als een kermis.

Kort na aankomst droeg Martinus zijn eerste Heilige Mis in het oude houten kerkje op. Hij werd hierbij geassisteerd door de zeer eerwaarde heer Johannes Grooff. Vooraf moest het tabernakel worden ontzegeld. De verzegeling was aangebracht nadat zijn voorganger de zeer eerwaarde heer Van der Horst op 31 juli 1825 was overleden. In het tabernakel bevonden zich de monstrans metde heilige hostie, de ciborie met enige kleine hosties,een relikwie van het heilig kruis en het zilverenhostiebusje voor de zieken.

Een paar dagen later zegende Martinus de nieuwe stenen kerk (opgedragen aan de apostelen Petrus en Paulus) in, welke door zijn voorganger was gebouwd. De kerk was opgedragen aan de apostelen Petrus en Paulus. Op de kerk rustte nog een schuld van 16.000 gulden. Martinus voerde meteen een aantal hervormingen door, zo kregen gelovigen die niet met Pasen naar de kerk gingen geen vaste zitplaats meer.

In september 1826 ging Martinus van der Weijden naar een melaatsenkamp in Batavia waar ongeveer 300 melaatsen woonden. Martinus plantte op de plaats waar een kankantrie ( een boom die door de negers als een god werd vereerd) had gestaan een houten kruis. Een van de hutten in het melaatsenkamp werd als kerk gebruikt. Hij doopte in het melaatsenkamp ongeveer 150 personen.

Met buitengewone volmacht van Paus Leo de 12de  had hij rond de 80 personen gevormd. Op 10 of 11 oktober kwam Martinus ziek terug in Paramaribo waar hij op 14 oktober 1826 om half negen overleed.  Zijn laatste woorden waren bestemd voor de ongelukkige op ‘Batavia’ waar hij nog maar zo kort geleden was geweest. Martinus werd op het plein achter de “nieuwe” kerk begraven.

Martinus droeg zijn bevoegdheden als apostolisch perfect over aan  de pas 25 jarige Jacobus Grooff en benoemde hem bij testament als enig erfgenaam.

Ter nagedachtenis aan Martinus schreef  Monseigneur Broere het volgende gedicht.

„Slechts dit zijn schaduwbeeld mogt Neerlands Kerk bewaren;

Hij, die heur blijde jeugd eens kweekte voor de Altaren,

Stierf met de slaven weg aan ’t indiaansche strand;

Maar ’t Kruis, vol liefde en moed van hem daar neergeplant,

Waarnaast bij nederviel, ver van zijn Vaderland,

Staat nog! en staaft zijn woord en baart uit dood en lijden

Zijn opgevaren ziel ’t oneindige verblijden.

Libera

Bevrijd mij, Heer, van de eeuwige dood op die verschrikkelijke dag,
wanneer de hemelen moeten wankelen en de aarde,
wanneer U de wereld zult komen oordelen met vuur.
Bang ben ik geworden en ik vrees,
wanneer de beoordeling zal komen en de toorn nabij is.
Die dag, dag van toorn,
van rampspoed en ellende,
grote en zeer bittere dag.
Bevrijd mij, Heer,
van de eeuwige dood op die verschrikkelijke dag,
Geef hen eeuwige rust, Heer,
en het eeuwige licht verlichte hen.
Wanneer de hemelen moeten wankelen en de aarde,

In september 1883 werd door het gouvernement toestemming gegeven om de stoffelijke overschotten van vijf missionarissen te mogen opdelven en herbegraven. Vier van de vijf kisten waren bijna geheel vergaan alleen de kist van Van der Weijden, die in het grondwater had gelegen, was in tact gebleven. In de kist waren het gebeente, het hooft en de tanden nog gaaf. In de toen net herbouwde kerk was onder de sacristie een grafkelder ingericht waarin de overblijfselen van Martinus van der Weijden, Mg Grooff, kapelaan Peters, Wennekers en van der Horst werden herbegraven. De herbegrafenis vond plaats op donderdag 27 september 1883 ’s middags om vier uur in het bijzijn van Mg Schaap, 10 priesters, één diaken, vier fraters en een koor. Als afsluiting van de plechtigheid werd het Libera gezongen en werden de ceremonieën gedaan zoals bij een uitvaart.

Toen Monseigneur Van Bommel, Bisschop van Luik z.g. voormalig Regent van het Seminarie Hageveld in 1840 Siegenbeek’s1 openbare beschuldiging, dat nl in Hageveld, “de domheid werd georganiseerd”,  in het openbaar logenstrafte, beriep hij zich op tal van Hagevelds kweekelingen, die den roem uitmaakten des vaderlands. Onder dezen wordt ook Mgr Van der Weijden in korte maar kernachtige woorden geschetst. Hij noemt hem “den onvergetelijken van der Weijden die in eene korte maar schitterende loopbaan in Suriname wilden en beschaafden Roomschen en hervormden door heldendeugden meer nog dan door de wegslepende taal eens Apostels verbaasde en tot zich trok wiens naam en nagedachtenis nog op heden bij allen aldaar in zegening is”.

1 Matthijs Siegenbeek (Amsterdam23 juni 1774 – Leiden26 november 1854) was een Nederlandse theoloog en neerlandicus, die van 1797 tot 1847 de eerste hoogleraar Nederlands was aan de Rijksuniversiteit Leiden.